Direct naar uw reactie

Direct naar uw waardering

Voorwoord

Welkom bij Mandarte/MZMK!
Deze video gaat over zelfportretten, over portretten en over niet-portretten. In de beeldentuin van Kröller-Müller staat een rij sculpturen, een soort zelfportretten, van Jan Fabre. De taalkunstenaar Jan Fabre noemt ze hoofdstukken. Dat is een prachtige titel. Het maakt iets duidelijk: dat ze allemaal behoren tot een serie, zoals de hoofdstukken van een boek samen een boek vormen. Misschien vormen deze hoofdstukken samen het ware portret van Jan Fabre.
Laten we gaan kijken.

Ontmoeting: Wat is er te zien

Dia11) Basisdia Ontmoeting
Deze foto maakte ik negen jaar geleden, toen Jan Fabre een grote one-man show had in museum Kröller-Müller. Op een hardstenen sokkel staat een bronzen zelfportret met ezelsoren. Het is nummer 18 uit een serie van 18.
Dia22) De maker: Jan Fabre
Jan Fabre is waarschijnlijk de beroemdste moderne kunstenaar van België. Zoals je op zijn website ziet noemt hij zichzelf Consilience Artist. Volgens de tekst op zijn websitezoekt en ziet hij verbanden tussen verschillende kunstdisciplines en geeft daarmee nieuwe interpretaties aan de wereld van beeldende kunst, theater en literatuur.

Het beeld

Dia33) Het beeld: Formaat
Hoofdstuk 18 is net als de andere hoofden levensgroot. Daarmee schaart het portret zich onder onze normale ontmoetingen, door niet extra groot of extra klein te zijn. Maar de ezelsoren die Jan Fabre aan het hoofd monteert, zijn naar verhouding te groot voor het hoofd. We kwamen in onze vorige video’s al heel wat belangrijke ezels tegen, maar geen een met een mensenhoofd. Wel zagen we een konijn, ook met grote oren, en net zo glanzend. Misschien is het niet zo gek om zulke grote oren te hebben.

Dia44) Het beeld: Vorm en Compositie
Hoewel het beeld nog erg jong is zie ik toch verschillen tussen de versie uit 2011 en 2020. Niet alleen in de kraag en de schouders maar ook in de stand van de mond. In 2011 was er iets parmantigs te bespeuren in de gelaatsuitdrukking, terwijl er in 2020 schrik in het gelaat ligt, alsof het net zijn onmenselijk oren heeft ontdekt. En van opzij is er een voorwaartse beweging in de houding, als een naar voren reiken, terwijl de vroegere versie juist naar achteren helt. De achterkant van het hoofd relateert deze gieting aan andere hoofdstukken, die kennelijk van dezelfde gieting afkomstig zijn.
Dia55) Het beeld: Materiaal
Naar eigen zeggen heeft Jan Fabre de hoofden zelf geboetseerd. Ik vermoed dat hij vooral bedoelt, aangepast. Want oren, ogen en mond moesten wel degelijk aangepast worden aan de hoorns en oren die er werden in gemonteerd. Maar ondertussen blijven alle 18 hoofden toch erg, ik zou bijna zeggen mechanisch, hetzelfde. Alsof ze afkomstig zijn van slechts drie of vier wassen beelden.
Links is het hoofd van was gemaakt, met aangeplakte oren. Het vertoont grote overeenkomsten met de foto uit 2011. De oren richten zich naar voren om te horen of ik wel de waarheid spreek.
Rechts het Kröller-Müller beeld uit 2020. De oren scannen de omgeving links en rechts en de ogen scannen de wereld voor de kop. Het dier is in het nieuwe hoofdstuk belangrijker geworden dan in 2011.
Dia66) Het beeld: Detail
Het effect van de lichtval op het glanzende oppervlak is duidelijk. Het hoofd verliest zijn menselijke lichamelijkheid en nestelt zich in de wereld van de spiegels en de edele metalen, waar het licht hard is en koud. Het verliest ook zijn speciale individualiteit. Het is geen portret meer maar een algemeen mensenhoofd.
De eminente kunsthistoricus Rudolf Wittkower hield in 1971 een briljante lezing met als titel De traditie van de werkplaats van de beeldhouwer. Daarin volgt hij, om het woord van Jan Fabre te gebruiken, op consiliente wijze de overgang van de beeldhouwer als ambachtsman naar de beeldhouwer als kunstenaar. Hij doet dat onder andere door de sporen te volgen die het gereedschap van de beeldhouwer achterlaat op het beeld en de ontwikkeling te laten zien van hoe de ogen worden behandeld in de sculptuur van de Grieken tot de tegenwoordige tijd. Jan Fabre zou een prachtig voorbeeld voor hem geweest zijn, van een kunstenaar die traditioneel ambacht en modern kunstenaarschap bij elkaar brengt.

Verwantschap

Dia77) Verwantschap met was en brons.
Deze foto toont een overzicht van de zaal in Brussel, waar Jan Fabre zijn hoofdstukken opstelde in de tentoonstelling “Belofte van het gezicht”. Op Vimeo is een interview te vinden waarin hij vertelt hoe hij ertoe is gekomen om allerlei kenmerken van dieren aan zijn hoofd toe te voegen. Jammer genoeg wijdt hij niet uit over het verschil tussen de wassen en de bronzen hoofden. Terwijl dat nu juist enorm belangrijk is, zoals Wittkower aantoonde.
Dia88) Dürer en Rihanna
Waarom is een zelfportret van Albrecht Dürer (als Christus nota bene) peilloos, dat van Rihanna pijnlijk?”, vraagt Wannes Geyselinck zich af.
Hij schrijft een intelligent en kritisch essay over Fabres Hoofdstukken, met als titel Waarom Fabres Hoofdstukken mij zo ergerden. Daarin werpt hij de vraag op of we Fabres Hoofdstukken moeten opvatten als ironie. De aanleiding voor zijn onderzoek is de uitspraak van de kunstenaar zelf dat ironie in deze Hoofdstukken de boventoon voert. En hij wil natuurlijk weten of het alleen maar ijdelheid is, deze Hoofdstukken.
Volgens Geyselinck is Ironie:
een stijlfiguur waarin iemand iets beweert maar eigenlijk iets anders, vaak het tegendeel, bedoelt. Een kenmerk van ironie is dat het misbegrepen kan worden. Correctie: Ironie moet misbegrepen kunnen worden. Onbegrip is een bestaansvoorwaarde. Bij een ironische mededeling kunnen we ons altijd iemand inbeelden die de ironie niet opmerkt en de ironische mededeling voor niet-ironisch neemt. Het is ten koste van deze persoon dat de ironicus en de ironee een pact sluiten. Knipoog. Knipoog terug. Ironie is exclusief en inclusief tegelijk.
Geyselinck verwijt Jan Fabre op goedkope wijze mee te doen aan de trend die Postmodernisme heet: “Hedendaagse kunst + ironie + traditie = postmodern, zo luidt de formule” schrijft hij.
Waar hij wel gelijk in heeft, lijkt me, is dat deze twee portretten van elke ironie gespeend zijn. Beiden personen willen heel nadrukkelijk iets van zichzelf tonen waarop ze trots zijn.
Dia99) Verwantschap Acimboldo
Nog even over het materiaal. Daarom laat ik deze schilderijen zien van Arcimboldo. Je kunt een mensenhoofd opbouwen met oren en ogen van een dier, of met groenten. Je kunt het gieten in brons of schilderen met olieverf. Elk materiaal brengt zijn eigen gevoelswaarde mee. Ironie is in de kunst niet altijd gemakkelijk te onderscheiden. Zo zouden wij Arcimboldo ’s werken snel als ironie kunnen lezen. Toch blijkt uit het rechterportret van Keizer Rudolf II dat het niet om ironie gaat, maar om een bijzonder soort verering: de keizer als god van de oogst.
Dia1010) Fabre en Breugel
Jan Fabre schaart zich graag onder de grote kunstenaars van België, Breugel en Rubens. Pieter Breugel de Oude was al acht jaar dood toen Peter Paul Rubens geboren werd. Ze worden vaak in één adem genoemd, alsof de Zuidelijke Nederlanders allemaal hetzelfde zijn, terwijl hun stijl van schilderen hemelsbreed verschilt. Ook Jan Fabre is graag een beetje Rubens en een beetje Breugel tegelijk. Het doet denken aan dit schilderij van Pieter Breugel de Oude, waarin enorm veel invloed is verwerkt van Hieronymus Bosch. Er zijn een aantal half-dieren-half-mensen te zien, zoals De Hoofdstukken van Jan Fabre allemaal dierlijke lichaamsdelen dragen, hoofden die half dier, half mens zijn.
Dia1111) Fabre en het masker
Ik ga liever nog verder terug dan Het Herfsttij of de Renaissance. De Romeinen hadden al het gebruik om van het hoofd van hun voorname overledenen een wassen afgietsel te maken. Dat werd gebruikt als basis voor meestal marmeren bustes, die meegedragen werden door de familie tijdens belangrijke optochten. Zo belangrijk waren hun voorvaderen, je was trots op het geslacht dat jou had voortgebracht. Die portretten hebben altijd iets glads, iets doods als echte dodenmaskers. Zo’n emotieloze nabootsing heeft het ezelsoren hoofdstuk van Jan Fabre ook. Het is geen portret maar een masker.
Dia1212) Fabre in zijn eigen rollenspel
Dat emotieloze, waarbij de nabootsing het karakter afvlakt, zien we bij veel sculpturen van Jan Fabre, waarin hij zelf de hoofdrol speelt. Het zijn theatrale ideeën waarbij de technisch volmaakte uitvoering belangrijk is voor het overbrengen van de boodschap. Alsof betekenis afhangt van ambachtelijke perfectie.
Dia1313) Rubens en Fabre Zelfportret en Portret
Het onderscheid tussen zelfportret en portret is prachtig af te lezen uit deze foto van de Belgische krant De Standaard. Rubens heeft duidelijk zijn zelfportret geschilderd, wat je kunt zien aan zijn onderzoekende blik. Zo keek hij in de spiegel terwijl hij zichzelf schilderde en zich afvroeg ‘wie ben ik eigenlijk’? Daarnaast zien we een opgewonden Jan Fabre, betrapt op het ogenblik dat hij vol emotie een zichzelf verdedigend gebaar maakt met zijn rechterhand, alsof hem iets wordt verweten. Het zelfportret van Rubens is een zelfonderzoek, het portret van Jan Fabre is een karaktertekening, zoals hij op dat moment was.

Besluit

Dia1414) Zelfportret in Hoofdstukken
Waarom het 18 maskers zijn geworden heb ik niet kunnen achterhalen. Maar het is duidelijk dat het geen ironie betreft, althans niet louter ironie, want daarvoor is er veel te veel vakmanschap en kunde in de hoofden gelegd. Er is te zien dat het lijkt op Jan Fabre, op de jonge en de oude Fabre, op Fabre als ezel, op Fabre als trotse wetenschapper, als gierende een enter, als doelgerichte bok. Allemaal Fabres, lijkt de serie te willen zeggen, één Fabre bestaat niet.

Nawoord

We zijn allemaal meervoudige mensen, is de boodschap. We zijn elk moment een ander en toch onszelf. Door het vakmanschap worden de koppen steeds minder Fabre en steeds meer iedereen. Natuurlijk kun je er af en toe om lachen, en is het soms herkenbaar, dan weer benauwend, maar uiteindelijk wordt het heel duidelijk: wij zijn allemaal fabelmensen, halve dieren. Daarvoor heeft Jan Fabre zichzelf in was gekneed en in brons gegoten. En zichzelf te kijk gezet.

Bronnen

1) Mandarte weblog
https://www.mandarte.nl/weblog/170-jan-fabre-in-kroeller-mueller?highlight=WyJmYWJyZSJd
2) The wrong notes
https://wannesgyselinck.wordpress.com/2013/09/05/waarom-fabres-hoofdstukken-i-xviii-mij-zo-ergerden/
3) Jan Fabre sculpturen
https://angelos.be/eng/selection-of-works/sculptures-objects-and-installations
4) Tentoonstelling Brussel 2018
https://angelos.be/eng/exhibitions/promises-of-a-face-
De tentoonstelling 'beloften van een gezicht' vertelt meer dan zes eeuwen portretkunst, zowel aan de hand van schilderijen, tekeningen, sculpturen en foto's uit de collecties van de Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België als uit genodigde werken.

De tentoonstelling begint bij de geboorte van het individu in de 15e eeuw en verkent de vele facetten ervan. Als machtsvertoon of als introspectie, als sociale herkenning of als protest: het portret is een genre dat door de eeuwen heen vele metamorfoses heeft gekend, tot de selfie van vandaag.

Memling, Rubens, Van Dyck, Gauguin, Ensor, Chagall, Delvaux, Bacon, Tuymans, Borremans, Fabre, Vanfleteren, ... Tijdens deze tentoonstelling herontdekt de bezoeker meesterwerken uit de KMSKB in een nieuwe context. Oude meesters gaan de dialoog aan met hedendaagse creaties en de beroemdheden van gisteren en vandaag zullen op originele wijze verbinding maken.
5) Vimeo interview
Fabre aan het woord: “Wil het brons een eigentijdse functie geven. Zelfportretten: Afpellen van maskers, onderzoek van de fysionomie als een landschap, allerlei verschillende persoonlijkheden als deel van hemzelf. Zelfportret is ook verbinding met de oudere meesters. Vlaamse meesters. Breugel en Rubens. Denk aan het museum in Bazel met alle koppen erbuiten op de gevel..
Ging vroeger met zijn ouders naar de zoo en tekende daar heel veel. Dieren waren altijd heel belangrijk. Moest dus telkens zijn gezicht handmatig aanpassen voor de dierlijke attributen. Tentoonstelling als hommage aan de dieren en aan het masker.
6) Zelfportret als boodschap
https://marthavollering.com/wp-content/uploads/2019/04/essayHetZelfportretAlsBoodschap.pdf

7) Self-portraits
Zelfportretten zijn een methode van zelfonderzoek geweest sinds mensen voor het eerst naar hun eigen spiegelbeeld in een plas water staarden. Met de uitvinding van de spiegel kwam een nog sterkere fascinatie om de gelijkenis vast te leggen. En zelfs in de afgelopen tien jaar heeft de fascinatie van het publiek voor de manier waarop een kunstenaar zichzelf ziet, geleid tot tentoonstellingen zoals de National Self-Portrait Collection in de National Portrait Gallery van het Smithsonian.

Zelfportretten, zo hebben we gevonden, kunnen zorgvuldig worden geënsceneerd om het publiek alleen te laten zien wat de kunstenaar wil projecteren, of diep onthullend, waarbij ze onbedoeld gevoelens van angst en pijn vertonen. Zelfportretten zijn gebruikt om nieuwe technieken te testen, een handtekening te zetten, zelfstudie te starten, het verleden te herinneren en als een manier om emotie los te laten. Welke manier de kunstenaars ook kiezen om hun beelden te construeren, ze worden elk gedwongen hun eigen persona's zowel fysiek als emotioneel te bestuderen.

Wat vinden kunstenaars als ze in de spiegel zoeken? Voor sommigen is het zelfportret een catharsiservaring, het loslaten van opgekropte emoties. Voor anderen onthult het proces nieuwe inzichten over henzelf en hun werk. Voor alle kunstenaars is het zelfportret een verkenning, een kans om verder te kijken dan het beeld in de spiegel en te beginnen met zoeken in de ziel.
8) Kunstenfestival Aardenburg
https://kunstenfestivalaardenburg.nl/beeldende_kunst/jan-fabre/
In de Sint Baafskerk tonen we 13 ‘Hoofdstukken’, waarin Fabre verschijnt met diverse gelaatsuitdrukkingen en uiteenlopende horens. De mens als dier, de man als strijder. Vol opsmuk tot het potsierlijke toe. Maar ook de mens als overlever in de jungle van het bestaan. Fabre noemt zelf het thema van het 15de-eeuws zinnespel Elckerlijc als inspiratie. “Elk mens moet sterven. Ik ben als een ander, ik ben die ander! De thema’s zijn een soort maskers. Achtereenvolgens beeld ik mezelf uit als gangster, clown, punker en zelfs als dommerik met ezelsoren. Ik heb er ook een met een denkpriem die uit mijn schedel groeit. Al die geweien zijn een soort kronen, antennes, maar evengoed verdedigingsmechanismes. Het is een onderzoek van het landschap van de fysionomie. Ik heb er mezelf uitgebeeld tussen mijn twintigste en tachtigste.”
9) NRC 7 april 2011
https://www.nrc.nl/nieuws/2011/04/07/ik-ben-een-ridder-van-de-schoonheid-12009362-a1324641
Hij is verdediger van het kwetsbare, ridder van de schoonheid, koning van het atelier, keizer van het verlies, engel van de metamorfose. Hij is ook een mens, een man die honger heeft, die misschien op dit moment ook wel moet plassen, in wiens binnenste zich ook nog processen afspelen waar hij geen weet van heeft. Haar voel je niet grijzer worden.

Jan Fabre (Antwerpen, 1958) zou de eerste zijn om de tegenstelling in de vorige zinnen te ontkrachten. Hemels en aards, verheven en banaal; het contrast wordt in zijn werk juist opgeheven. Goud is stro. Punaises zijn pailletten.

Fabre is sinds begin jaren tachtig een steeds gevierder theater- en beeldenmaker. Drie jaar geleden exposeerde hij in het Louvre in Parijs tussen de oude meesters, als eerste levende kunstenaar. Zaterdag opent in museum Kröller-Müller op de Veluwe ‘Hortus/Corpus’, de omvangrijkste tentoonstelling die in Nederland van zijn beeldende werk is gehouden. Fabre meet er de wolken, ment er zijn eigen brein, zet zichzelf een paar hoorns op, geeft vuur, toont beelden bedekt met goudkleurige pailletten die van dichtbij punaises blijken te zijn. Het menselijk lichaam kan opeens alle kanten op.

Op deze tentoonstelling lijkt Fabres werk afkomstig van een middeleeuwse modernist. Van een alchemist. Marguerite Yourcenar schreef in Het hermetisch zwart over haar alchemist: „Na al die jaren besteed aan het ontleden van de menselijke machine, verweet hij zichzelf dat hij zich niet met grotere vermetelheid had geworpen op de verkenning van dat door huid begrensde rijk, waarvan wij ons vorsten wanen en waarin wij gevangen zijn.” Fabre ís vermeteler. Hij is vorst en gevangene, met evenveel overtuiging.

Op een zaterdag in maart voor de tentoonstelling opengaat, heeft de ridder van de schoonheid inderdaad honger, komt de keizer van het verlies net met een taxi uit Brussel, is de engel van de metamorfose charmant concreet en hoopgevend hoogdravend. De koning van het atelier roddelt en orakelt. Zijn woorden hoeven niet altijd begrijpelijk te zijn. Het zijn soms net beelden. Pratend loopt hij er naar één toe, en komt zichzelf tegen.

In de tuin van het Kröller-Müller staan onder de titel Hoofdstukken achttien portretten van u, bustes uitgevoerd in goudkleurig brons. Is dat ijdelheid?

„Nee, dat is Elckerlyc. Elkerlyc is iedereen, jan en alleman, zoals in het middeleeuwse toneelstuk. Ik word gefascineerd door zelfportretten. Acht verschillende portretten lijkt misschien schizofreen, maar volgens mij is iedereen schizofreen. Iedereen draagt verschillend persoonlijkheden in zich, is meer mensen of menstypes tegelijk. De portretten zijn niet allemaal vleiend. Ik sta er ook met ezelsoren, als domoor met een lange neus zoals Pinocchio, met de hoorns opgezet.”

De beeldentuin van het Kröller-Müller is beroemd. Heeft u daar speciaal werk voor gemaakt?

„Nou, een van de geweien uit Hoofdstukken is vorig jaar hier op de Veluwe gevonden. Ongelofelijk hè, dat zo’n dier dat in een jaar kan laten groeien. Maar ik heb me aan mijn eigen thema’s gehouden, ik ben niet opeens land art gaan maken.”

De tentoonstelling heet ‘Hortus/Corpus’. Speelt de tuin toch een belangrijke rol in de tentoonstelling?

„Als hortus conclusus, omsloten ruimte. Die kun je ook zien als metafoor van het menselijk lichaam. Wat binnen in het lichaam zit, breng ik naar buiten of probeer ik te beschermen met een nieuw skelet.”

In het Louvre stond uw werk tussen de vaste collectie. Hebben ze u gevraagd dat hier ook te doen?

„Ja. Maar na die tentoonstelling in het Louvre kreeg ik allerlei aanbiedingen voor soortgelijke tentoonstellingen, bijvoorbeeld van de Hermitage in Sint Petersburg. De tentoonstelling in het Louvre was ook een groot succes. Meer dan een miljoen bezoekers! Maar ik wil mezelf niet herhalen. Je moet tentoonstellingen in het algemeen doseren. Ik krijg tegenwoordig wel vijftig aanbiedingen per maand. Tegen 49 zeg ik nee.”

Waarom zei u ja tegen het Kröller-Müller?

„Het is een geweldig museum. Als jonge gast van een jaar of twintig ben ik hier geweest om de minimalistische kunst te zien, Carl Andre. En ze hebben natuurlijk geweldige Van Goghs en Ensors. Wat ik ook belangrijk vind, is dat ze niet met de mode meedoen. Ze brengen geen kunstenaars waar iedereen voor opspringt en vijf jaar later hoor je er niets meer van. Hier doen ze weinig maar wat ze doen doen ze heel goed. En het is geweldig dat het zo ver van de stad is. Het museum in een bos, hier komen is een soort rite de passage, je gaat een andere wereld binnen, die van de kunst. Je moet de tijd nemen, de rust vinden. Dat is mooi. Ik ben een ridder van de schoonheid. Ik ben tegen het cynisme in de kunst. Op cynisme zal je mij nooit betrappen, wel op ernst en ironie.”

Vindt u het een Nederlands museum?

„Het heeft wel iets calvinistisch. Soms zijn clichés waar. Vlaamse kunst is katholiek, Nederlandse calvinistisch. Kijk naar het verschil tussen Mondriaan en Ensor, tussen zakelijk en bourgondisch. Bosch en Breughel zijn mijn helden. Ik steel nog steeds van ze. Belgische kunst is visceraal.

„De Nederlandse kunstwereld is wel veel beter georganiseerd dan de Belgische. Ik weet nog dat ik in 1980 een performance deed in De Appel in Amsterdam en 250 gulden kreeg. Dat was iets ongehoords. Ik voelde me zo rijk. Maar dat ongeorganiseerde heeft ook goede kanten. Mijn generatie kunstenaars bestaat uit individuen die er dankzij eigen initiatief gekomen zijn. Ze kregen geen staatssteun, ze hebben zich in afzondering kunnen ontwikkelen. Ik ben geen komeet, mijn ster is langzaam gerezen.”

Bent u een Belgisch kunstenaar?

„Ja. Ik ben niet zo katholiek opgevoed, maar dat krijg je toch mee. In België is het model van Christus veel belangrijker dan in Nederland. De middeleeuwse mystiek leeft nog voor mij.”

Wat is het model van Christus?

„In Vlaanderen werden we opgevoed met de stigmata, met de wonden van Christus. Hier is men toch minder gekwetst door de Katholieke Kerk. Misbruik van kinderen was in België veel gewoner dan in Nederland, ik zou bijna zeggen wie is hier niet misbruikt? Als instituut heeft de Kerk veel slechts gedaan. Toch houd ik van de Kerk als spirituele plek. In de jaren tachtig ging ik vaak naar Polen, daar was de Kerk een plek waar kunstenaars veilig waren. Ken je de afbeeldingen van een pelikaan die zijn borst stuk prikt om met zijn eigen bloed zijn kinderen te kunnen voeden? Het idee van Christus die zich offert blijft een mooi idee, iemand die andere mensen wil helpen. Zeker in deze cynische tijden is dat mooi. Veel beeldende kunst gaat tegenwoordig over media en commercie. Daar wil ik niet aan meedoen.

„Ik heb naast het model van Christus een ander model willen zetten. Ik heb voor deze tentoonstelling twee nieuwe beelden gemaakt, een vagina en een penis opgebouwd uit kleine stukjes menselijk bot, De toekomstige barmhartige vagina en De toekomstige barmhartige fallus. Dit bot kan niet meer bloeden, deze organen kunnen niet meer gekwetst worden. Eerder al maakte ik een mannelijk en een vrouwelijk hart van bot. Zo zou het menselijk lichaam kunnen transformeren. Het is een utopische visie. Naast de gewone wereld creëer ik die van mij.”

De vier organen liggen op de tentoonstelling op botten van glas. Waarom?

„Het zijn zo een soort verglaasde fossielen, bergen botten zoals je wel in oude kerken ziet maar dan nu van glas, zo kunnen ze nog minder vergaan.

„Kunst gaat voor mij altijd over transformatie, over metamorfose. Ik ben nu bezig in Carrara mijn beelden van het brein, die ook op deze tentoonstelling te zien zijn, in marmer uit te voeren. Ik ben al in de jaren tachtig begonnen met het tekenen met mijn tranen, met mijn eigen bloed, met het menstruatiebloed van mijn eerste vriendin. Ik begon te schilderen met bloed nadat ik in Brugge een tentoonstelling had gezien van de Vlaamse primitieven, anonieme meesters die telkens weer de wonden van Christus en van heiligen schilderen. Later leerde ik dat deze schilders soms bloed door hun verf mengden. Witte verf werd dan weer van menselijk bot gemaakt. Zo gezien doe ik niets nieuws. Het menselijk lichaam en zijn producten zijn geen afval. Waarom zouden we zweet, sperma, bloed en urine steeds verbergen? Ik provoceer niet expres, het gaat vanzelf. Ik wil de kracht van het kwetsbare verdedigen. Volgens mij is iedereen gefascineerd door zijn lichaam. Heb jij nooit voor de spiegel je borsten en je vagina bestudeerd?”

Op de tentoonstelling ligt ook één heel lichaam, een beeld van een Afrikaanse man, wiens rug is overdekt met littekens van zweepslagen. Hij ligt op een vlakte van juweelkeverschildjes, een stuk naar beneden gevallen plafond.

„Dat werk is een reactie op ‘Heaven of Delight’, het is een kritiek op mijn eigen werk. Het plafond van de spiegelzaal in het Koninklijk Paleis in Brussel heb ik in 2002 helemaal bedekt met keverschilden. Dat glanst zo mooi; ik schilder daar niet met verf maar met licht. Maar de schilden waren aangebracht in mozaïek; je kon in de schilden bijvoorbeeld de contouren zien van afgehakte giraffenpoten. Maar die kritiek op het koloniaal verleden van het Belgisch koningshuis is toen helemaal niet opgevallen, iedereen bleef steken bij de esthetiek van de glanzende keverschilden. Dus heb ik in 2008 een nieuw werk gemaakt, getiteld Ik heb een stuk van het plafond van het koninklijk paleis moeten uitbreken omdat er iets uit groeide. Daar hangen nu elf nieuwe werken van keverschilden omheen, die ik dit jaar gemaakt heb met daarin beelden te herkennen van mensen en dingen die met Belgisch Congo te maken hebben, bijvoorbeeld portretten van koning Leopold II en van Lumumba, het logo van het Belgische chocolademerk Côte d’Or en een kind met een afgehakte hand.”

Hoe komt u aan al die keverschilden? Het moeten er miljoenen zijn.

„Keverschild is een geweldig materiaal. De juweelkever, de scarabee, heeft een uitwendig skelet, wij een inwendig skelet. Dat exoskelet is gemaakt van chitine, het is een van de hardste en lichtste materialen ter wereld. Ik krijg de schilden van universiteiten en restaurants. Net als bij mosselen de schelpen worden bij het eten van kevers de schilden weggegooid. Voor het plafond en de kroonluchter in de spiegelzaal waren er anderhalf miljoen nodig.

„Dieren zijn de beste dokters en filosofen van deze wereld. Ik noem de kever vaak de oudste computer ter wereld. Kevers bestaan al 400 miljoen jaar, veel langer dan mensen. Over overleven kunnen ze ons wel wat leren.”

Op de tentoonstelling zijn ook vroege tekeningen te zien. Daar staan al kevers op en andere motieven die u nu nog gebruikt. Het lijkt soms alsof uw werk zich niet in de traditionele zin heeft ontwikkeld, maar dat u uw ideeën alleen in andere materialen bent gaan uitvoeren. Van potlood naar brons, van bic blauw naar brons.

„Ik werk in de diepte. Mijn atelier is mijn land, mijn werken zijn de wetten, ik ben de koning. Ik ben systematisch voor het experiment. Deze tentoonstelling is geen retrospectief, ik heb alleen twee sporen in mijn werk gevolgd, dat van het menselijk lichaam en van het uitwendig skelet. Het skelet kun je zien als een emanatie van de geest.”

Maakt u nog veel zelf?

„Ik kan niet bronsgieten of glasblazen, maar als het enigszins kan voer ik werk zelf uit. De hoofden voor Hoofdstukken heb ik zelf geboetseerd in was. Daarna zijn ze door anderen in brons gegoten. Om het brons zo goudkleurig te houden zit er vliegtuiglak op. Voor mij is de avant-garde geworteld in ambacht. Dat is bij de meeste kunstenaars niet meer zo. Tony Cragg heeft twintig assistenten, Jeff Koons vijftig, Damien Hirst honderd. Ik heb er voor mijn beeldende werk twee.”

In het Kröller-Müller hangt een tekening uit 1979 van een fontein, ‘The Fountain of the world’. Een erecte penis is de spuit van de fontein. Op de grond ervoor ligt een verwezenlijking van dit idee uit 2008, een naar u zelf gemodelleerde pop met ontbloot geslacht tussen een stapel grafzerken getiteld ‘Fontein van de wereld, (als jonge kunstenaar).’

„Ik heb dat eerst getekend. Ik teken al jaren met sperma, zoals ik ook met bloed en tranen teken. Daarna heb ik het idee als performance uitgevoerd. Nu is het een beeld. Ik hoop dat het ooit een echte fontein wordt. Misschien gebeurt dat wel binnenkort.”

Jan Fabre, Hortus/Corpus. Museum Kröller-Müller, Houtkampweg 6, Otterlo. 10 april t/m 3 september. Di t/m zo 10-17 uur. Inl. kmm.nl.
Jan Fabre, Troubleyn en Angelos

Jan Fabre maakte zowel theater als beeldende kunst. Hij begon zijn carrière met performances. Een van zijn eerste grote ‘gebaren’ betrof het kasteel Tivoli bij Mechelen, dat in 1990 door Fabre geheel blauw werd gemaakt met Bic ballpoint. Naast de kever is het Bic-blauw een van de constanten in Fabres werk. In 2005 was Fabre artistiek leider van het theaterfestival van Avignon. Fabres nieuwste stuk, Prometheus-Landschap II, is nu in het Theatre de la ville in Parijs te zien en op 13 en 14 mei in het Theater aan het Vrijthof in Maastricht.

Fabre heeft voor zijn theater en zijn beeldende werken twee bedrijven opgezet, Troubleyn en Angelos, beide gehuisvest in gebouw Laboratorium in Antwerpen. Inl. troubleyn.be en angelos.be. Bij Meulenhoff/Manteau zijn drie bundels met theaterteksten uitbracht. De nieuwste heet De dienaar van de schoonheid. Bij de tentoonstelling verschijnt een catalogus met teksten van directeur Evert van Straaten en schrijver Stefan Hertmans.

Kunstwerken van Fabre zijn permanent te zien in Leuven, Nieuwpoort en Avignon.
10) Fabre zelf over zijn 18:
https://www.angelos.be/nl/exhibitions/jan-fabre-chapters-i-xviii
“Ik heb 18 bronzen en 18 wassen sculpturen gemaakt”, aldus de kunstenaar; “Allemaal bustes. Je ziet zowel de jonge Jan Fabre als Jan Fabre als zeventiger. Alle sculpturen hebben dierenoren en -hoorns. Gelijk Pinocchio. Hoorns die lijken op antennes. Ik beschouw het als een onderzoek van het zelfportret. Het zelfportret als een verlangen naar datgene wat vreemd en anders is. Het is een onderzoek naar fysionomie. De perfect gepolijste bronzen sculpturen zijn bijna dodenmaskers. Omdat elk zelfportret in zekere zin een dodenmasker is. Al deze sculpturen komen voort uit een post-mortem staat van leven.”
“Zoveel verschillende portretten lijkt misschien schizofreen, maar volgens mij is iedereen schizofreen. Iedereen draagt verschillende persoonlijkheden in zich, is meer mensen of menstypes tegelijk. De portretten zijn niet allemaal vleiend. Ik sta er ook met ezelsoren, als domoor met een lange neus zoals Pinocchio, met de hoorns opgezet.”

“Ik geloof dat wij allen schizofreen zijn. Misschien zit er wel in mij een gangster, een genie, een clown of een charlatan.” - Jan Fabre

 11) Docentenwerkblad Kröller-Müller:
https://krollermuller.nl/media/onderwijs/basisonderwijs/2_fabre_filo_beelden_nl.pdf
Dit kunstwerk heet Hoofdstukken. De beelden zijn alle-maal anders, maar horen inderdaad bij elkaar. Je ziet acht keer de Belgische kunstenaar Jan Fabre: als jongeman, maar ook zoals hij eruit denkt te zien als hij zeventig jaar is. Fabre vindt één beeld te weinig om te laten zien wie je bent. Zelf voelt hij zich soms een vrolijke clown, soms een trots genie, maar soms ook een enorme domoor. Dat laat hij allemaal zien. Alle Jannen samen laten zien wie Jan is!
Natuurlijk heeft Jan Fabre in het echt geen hoorn of ezelsoren! Toch zijn ze voor hem een belangrijk onderdeel van zijn zelfportretten. Jan Fabre vindt zichzelf een ‘mooi dier’. Hij gebruikt dierenoren, een hoorn of een gewei om eigenschappen van zichzelf beter te laten zien. Zo lijkt hij nóg dommer of nóg sterker!
12) Grensoverschrijdend gedrag Jan Fabre
https://www.vrt.be/vrtnws/nl/2018/09/13/jan-fabre-open-brief/
en
https://www.vrt.be/vrtnws/nl/2018/11/06/schouwburg-amsterdam-schrapt-avond-met-jan-fabre/
Schouwburg Amsterdam schrapt "avond met Jan Fabre"
De Stadsschouwburg in Amsterdam heeft "An evening with: Jan Fabre" geschrapt. Aanleiding hier-voor zijn de beschuldigingen van grensoverschrijdend gedrag aan zijn adres door 20 (ex-)medewerkers en stagiairs van zijn gezelschap.
Belga di 06 nov 2018 16:34
In overleg met Troubleyn, de organisatie van Jan Fabre, is besloten "An evening with: Jan Fabre" op 26 november 2018 voor nu niet door te laten gaan", staat er op de website van de Stadsschouwburg. "Dit naar aanleiding van de open brief van 12 september die veel teweeg heeft gebracht. Zowel bin-nen Troubleyn als binnen de sector."
"An evening with..." is een reeks waarin kunstenaars vertellen over hun werk. Voor deze editie was Jan Fabre uitgenodigd, "een artistiek fenomeen met vele gezichten". Hij zou in Amsterdam vertellen over zijn inspiratiebronnen en persoonlijke voorbeelden. Wie al een ticket had, krijgt zijn geld terug.
Het parket van de arbeidsauditeur van Antwerpen opende midden september een onderzoek naar aanleiding van de open brief. Vlaams minister van Media Sven Gatz (Open VLD) zei toen dat hij het juridisch onderzoek naar Fabre zou afwachten alvorens met zijn administratie een onderzoek te starten.

Uw Waardering

Waardeer dit artikel

Als u dit beeldverhaal  waardeert en dat wilt laten blijken met een kleine bijdrage: graag!

U kunt mij ook met een ander bedrag steunen: klik dan hier.

Zo helpt u mij door te gaan met deze onafhankelijke beeldverhalen.

Ongeldige invoer
Vul alstublieft uw email-adres in
Ongeldige invoer
0,00 EUR

Uw reactie

 

1000 Resterende tekens