(Leestijd: 3 - 5 minuten)

BeethovenBeethoven, grande masque tragique

Emile Antoine BOURDELLE (1861, Montauban (Tarn-et-Garonne, France) - 1929, Le Vésinet (Yvelines, France))

  • 1901; Gips; collectienummer  MBPL2515; Foto: Musée Bourdelle, Paris; (Publiek domein)

De Franse waarneminsfilosoof Maurice Merleau-Ponty schrijf het volgende:

“Het handelen, het voelen en het willen kunnen nog steeds worden onderzocht als de oorspronkelijke manier om objecten te stellen, omdat een object, nog voordat het zwart of blauw, rond of vierkant verschijnt reeds als aantrekkelijk of afstotelijk verschijnt.”i (Mijn cursief).

Het citaat is een enigszins ingewikkelde manier om te zeggen dat het niet zo is dat wij eerst denken. Maar dat wij, wanneer we een kunstwerk of ander voorwerp waarnemen, direct reageren (handelen), een oordeel vellen (willen) en formuleren ( kunnen). Het kunstwerk is er immers al. Het staat of hangt of ligt voor onze neus in dezelfde ruimte waar wij zijn. Het is er al eerder dan wij. En dus is onze eerste reactie heftig en uitgesproken, voordat wij met heel ons brein beginnen na te denken over wat wij zien. Vinden wij het werk aantrekkelijk, dan kost het weinig moeite om dat te bevestigen. Vinden wij het afstotelijk dan duurt het even voordat wij voldoende argumenten hebben verzameld om ons oordeel te verdedigen. Als het kunstwerk een sculptuur is, houdt vooral ook het handelen van de kunstenaar ons vast.

Nemen we nu als voorbeeld het bekendste portret dat Émile-Antoine Bourdelle (1861-1929) maakte van Beethoven en dat te zien is in het Moma in New York en enigszins veranderd in het Musée Bourdelle in Parijs:
Grande Masque tragique de Beethoven (1901). (Brons, h= 77 cm).

(Om inbreuk op het auteursrecht te voorkomen, verwijs ik hier met een dieplink naar het kunstwerk in de collectie van het MoMA in New York.) ii iii

Het is echt geen gewoon portret, gelijkenis is ver te zoeken, het is met recht een ‘masker’. Stel je voor een diep vertwijfelde man, overmatig kritisch door zijn eigen onzekerheid, op het moment dat zijn gehoor het laat afweten, terwijl hij als componist juist voor het horen leeft.

Het eerste dat opvalt is hoe ontzettend lelijk deze kop is.
De kop iets opzij en achterover neigend. Houding spreekt. Kritisch op wat hij ziet. (Een partituur misschien?) Compromisloos en weerbarstig. Zijn kuif rechtop omhoog vanaf het voorhoofd, hij heeft net nog met zijn hand zijn haar naar achteren gestreken. Trekken onmenselijk diep gegroefd. Hoog opgetrokken wenkbrauwen, daaronder blinde ogen, diepliggend in de schaduw. (Hij is niet blind, hij is doof.) Tussen de oogkassen een kromme platte neus, met wijde neusvleugels. Brede mond, omlaag getrokken mondhoeken, zware kin. In de hals groeven die het midden houden tussen nekspieren en halsdoek. Niet een wereldberoemde kunstenaar die gelukkig is met zijn creaties: kunst is lijden.

De kunstenaar die dit maakte weet alles van portretten. Hij kent de afstanden tussen de ogen, tussen ogen en mond, onder de neus van mond naar kin. En de richtingen, van kin naar oor, van jukbeen naar slaap, van de grote kaakspier tot de kleinste rond de mond. Typerend een menselijke schedel, onmogelijk een ander zoogdier. De totale oppervlakte van de kop, alle huid, het als massa opgevatte haar, terugliggende delen en naar voren springende lijnen, er is geen plek onberoerd door zijn handen. Hij gebruikt zijn vingers, spatels in meerdere vormen, boetseermassa in vlakjes, hoogsels, smeersels, deuken en groeven, het hele oppervlak leeft. Je moet er naar blijven kijken. Het glanst een weinig brons, dat verhoogt de contrasten. Het kan zijn dat de kop in het oorspronkelijke materiaal meer een eenheid was.

De kunstenaar houdt van uitdrukking, van zijn visie. De gelijkenis, voor zover die er is, ondersteunt zijn visie. Gelijkenis is niet wat de cameralens ziet. Gelijkenis is wat de kunstenaar ziet. Zijn handelen, willen en voelen. Nog vóórdat hij denkt. Hij stelt een object van klei of was op een wapening. En begint. En gaat door totdat er geen verandering meer mag, totdat elke aanraking een beschadiging betekent. Het oordeel voor dat moment is aan hem. Dan pas is het object voltooid.

Dit model is inderdaad een brok tragiek, zoals hij in de titel meegeeft. En die tragiek is heroïsch. Heroïsche tragiek is boven-individueel herkenbaar. Het tekent Beethoven, maar is niet zijn alleenrecht. Hij deelt het met anderen. Met al wie verbeten iets probeert tot stand te brengen en zich vertwijfeld en kritisch afvraagt hoe het verder moet. Deze Beethoven is niet alleen tragisch, hij lijdt aan een ernstige twijfel. Hij zet zichzelf op het spel en kijkt naar zijn werk, alsof hij in de spiegel kijkt. En dat werk zal hem vertellen, of het werk de moeite waard was, de moeite van al het geluidloos laten wentelen in zijn hoofd, zijn lijden waaraan hij niet wil toegeven. Componeren zal hij, tot het werk hem gebiedt te stoppen. Wanneer hij gaat presteren onder zijn niveau.


i    Maurice Merleau-Ponty (1945) Fenomenologie van de Waarneming, Boom, Amsterdam, 2e oplage 2013, pag. 78

Oorspronkelijk Phénomenonlogie de la Perception (1945) Éditions Gallimard, Paris.
(vanaf hier M-P FW)

II (Ik heb publicatietoestemming gevraagd bij Scala, ondanks het feit dat de maker meer dan 70 jaar geleden is overleden en het auteursrecht op dit kunstwerk is verlopen.)

III  (https://www.moma.org/collection/works/81281).

1000 Resterende tekens