Belangrijker dan het begrip ‘Inleiding’ doet vermoeden

De Inleiding is een rechtvaardiging van het onderscheid van Kants begrippen a priori en a posteriori, een onderscheid dat noodzakelijk is om analytische en synthetische oordelen van elkaar te onderscheiden. Dat zijn de oordelen die van een wetenschap een wetenschap maken, en Kant is op zoek naar een methode om de metafysica tot echte wetenschap te verheffen (of te bewijzen dat ze geen wetenschap is). Feitelijk is de Inleiding een briljant bouwwerk dat begint met een fundament, waarop steeds hogere lagen gelegd worden.

Betoogtrant

De Inleiding die Kant schrijft is ouderwets (volgens onze normen nu). Ouderwets wil zeggen: je begint methodisch een opzet en werkt dan naar een conclusie toe. Modern is: je begint met je conclusie en probeert vervolgens je lezer geïnteresseerd te houden terwijl je de argumenten en tegenargumenten voor je conclusie geeft. In het geval van Kant zit je dus zelf al de hele tijd tegenargumenten te verzinnen en vraagtekens bij de tekst te noteren, totdat je eindelijk snapt waar hij heen wil. Dat is even wennen. Maar als je er dan eenmaal bent, half uitgeput aangekomen op de top van de berg, dan is het onwaarschijnlijke uitzicht de beloning. Je snapt niet alleen wat hij bedoelde, maar ook waarom de filosofie niet om hem heen kan.

Metafysica

In de inleiding vertelt Kant waar het hem om te doen is: hij wil metafysica beoefenen als wetenschap. Wat is metafysica voor hem? Metafysica is het eeuwige probleem: God, vrijheid en onsterfelijkheid. Dat zijn begrippen die wij bedenken zonder dat ze voortkomen uit onze eigen ervaringswereld: God kun je niet zien, vrijheid en onsterfelijkheid ook niet. Toch kunnen wij erover nadenken. Hoe kan dat? Hoe kunnen wij denken over dingen die we niet kunnen waarnemen? Is er een wetenschap die ons daarbij kan helpen? Ja, zegt Kant, we kunnen een voorbeeld nemen aan de wiskunde: die gebruikt ook begrippen die we wel kunnen bewijzen maar die in onze wereld niet voorkomen, die we dus eerst zelf bedacht hebben. Die begrippen noemt hij a priori, zeg maar ‘van ter voren bedacht’. Kant bouwt zijn inleidende betoog op in zeven stappen:

I het verschil tussen zuivere en empirische kennis

a priori en a posteriori
Om metafysica als wetenschap te kunnen vestigen moet hij alle dwalingen en onrechtmatige aannames uit de metafysica verwijderen en de methode opnieuw inrichten. Dat doet hij door het onderscheid aan te brengen tussen twee soorten ‘kennis’. Kennis die voortkomt uit wat wij waarnemen en met ons verstand bewerken (a posteriori, zeg maar: ‘achteraf’) en kennis die wij zelf verzinnen (a priori). Hij noemt dat zelf het verschil tussen zuivere en empirische kennis. Niet al onze kennis komt voort uit de waarneming (empirisch) maar wordt aangevuld met kennis die we ergens anders vandaan halen (zuiver). Maar: bestaat er wel zulke zuivere kennis die niet berust op onze waarneming?

II we beschikken over bepaalde a priori kennis

Een uitspraak die tegelijkertijd met zijn noodzakelijkheid (dat het niet anders kan zijn) wordt gedacht, is een a priori-oordeel. Als die voortkomt uit een eerdere a priori- begrippen is die absoluut a priori. Dat staat tegenover de ervaring die alleen maar tot aannemelijke en relatieve algemeenheid voert. Zuiver a priori wil dus zeggen: Noodzakelijk en Algemeen streng.
Empirische kennis leert ons weliswaar dat iets zus of zo is, maar niet dat het niet anders kan zijn.
Een voorbeeld van een a priori oordeel dat ons gewone verstand heeft gevestigd is bijvoorbeeld: “elke verandering moet een oorzaak hebben.”

III De filosofie heeft een wetenschap nodig die de mogelijkheid, de principes en de omgang van alle a priori kennis vastlegt

Het lijkt er dus op dat we onze oordelen kunnen uitbreiden tot het gebied dat buiten onze ervaring ligt, dankzij a-priori begrippen. Daarmee betreden wij het verheven gebied van de rede, dat nog belangrijker is dan het verstand, dat zich alleen op waarnemingen kan baseren. Het gaat dus om kennis waarbij we de wereld van de ervaring verlaten. Metafysica, zoals die in Kants tijd bestond, noemde hij dogmatisch, dat wil zeggen: “ze neemt vol vertrouwen de taak op zich zonder eerst het vermogen of het onvermogen van de rede tot een zo omvangrijke onderneming te onderzoeken.” En dus moet de wetenschap opnieuw worden ingericht. “Men baseerde zich liever op allerlei verdichtsels die geen zuivere tegenspraak oproepen en die de voortgang tot stilstand zouden kunnen brengen.” Kant komt dan met een prachtige beeld: “De lichte duif, die in vrije vlucht de luchten klieft waarvan ze de weerstand voelt, zou het idee kunnen krijgen dat het vliegen in de luchtledige ruimte nog veel beter gaat”. Mensen hebben wel vaker niet door dat ze aan het speculeren zijn zonder te onderzoeken of het fundament van een redenering wel voldoende is.

IV het verschil tussen analytische en synthetische oordelen:

het gaat hier om de nadere beschrijving (predicaat) die wordt toegevoegd aan het onderwerp: die kan analytisch zijn of synthetisch volgens Kant. Analytisch = bevestigend = verklarend = identiteit (van de eigenschappen van het begrip) is al in het begrip zelf aanwezig; Synthetisch = uitbreidend = zonder identiteit (toevoeging van het predicaat aan het begrip) is niet in het begrip aanwezig.
Voorbeelden:
Analytisch: alle lichamen hebben uitgebreidheid, ondoordringbaarheid, vorm etc.,
Synthetisch: alle lichamen hebben gewicht. (Buiten het begrip wordt een predicaat toegevoegd dat vreemd is aan het begrip zelf, maar er toch mee verbonden is. Dit vergroot onze kennis.)

V alle theoretische wetenschappen van de rede bevatten synthetische a priori oordelen als principes.

Verstandskennis wordt aangevuld met a priori-kennis. “Het gaat hier om de vooruitgang in het grenzeloze domein van de zuivere verstandkennis door de mogelijkheid van synthetische a priori-oordelen en het verkrijgen van inzicht in de voorwaarden die ieder type van dergelijke oordelen mogelijk maken.” (citaat uit de A-versie)
Kant geeft voorbeelden uit de wiskunde en uit de natuurkunde maar beseft dat dit een erg moeilijk artikel is. Dus schrijft hij later een toelichting – “niet voor leerlingen, maar voor toekomstige leraren”- waarin hij deze paragraaf uitlegt. Die toelichting heet PROLEGOMENA. Die beslaat dik tweehonderd pagina’s A5. Volgende keer kom ik daarop terug.

VI het algemene probleem van de zuivere rede

Hoe zijn synthetische a priori-oordelen mogelijk? Ook Kant heeft zijn voorgangers nodig om zich tegen af te zetten. In dit geval is dat de filosoof Hume. Volgens Kant gaat Hume hier echt de fout in: zijn idee dat metafysica volledig op waan is gebaseerd is vernietigend voor de hele filosofie.

VII idee-en indeling van een speciale wetenschap, die KRITIEK VAN DE ZUIVERE REDE wordt genoemd.

Dit alles resulteert nu in de idee van een bijzondere wetenschap, die KRITIEK VAN DE ZUIVERE REDE kan worden genoemd. Want de rede is het vermogen dat ons de principes van de a priori-kennis verschaft. Zuivere rede is daarom datgene, wat de principes bevat om iets absoluut a priori te kennen. Een Organon van de zuivere rede zou het geheel van de principes zijn volgens welke alle zuivere a priori-kennis verworven en werkelijk tot stand gebracht zou kunnen worden. Omdat dat wel erg veel gevraagd is, wordt dit voorlopig beschouwd als ‘de propedeutica’ voor het systeem van de zuivere rede. Dat is niet een leer maar een kritiek, omdat ze de rede zou moeten behoeden voor valkuilen en vergissingen.


“Alle kennis die zich niet zozeer met objecten, maar met onze kennis van objecten bezighoudt, voor zover die a priori mogelijk is, noem ik transcendentaal ,” zegt hij en brengt meteen een restrictie aan: “voorlopig zijn we alleen geïnteresseerd in de principes die leiden tot analytische en synthetische kennis, en niet in alle analytische en synthetische kennis zelf. We zoeken dus een toetssteen voor a priori-kennis. Daarbij gaat het niet om de natuur der dingen, die onuitputtelijk is, maar om het verstand dat oordeelt over de natuur der dingen, en dit weer alleen tot zijn a priori-kennis.

Cliffhanger

Kant beëindigt dan zijn inleiding met een terugblik die tevens vooruitblik is:
“Deze wetenschap moet worden onderverdeeld in een basisleer en een methodeleer. Bij wijze van inleiding of voorwoord lijkt het alleen dienstig te zeggen dat de menselijke kennis twee stammen heeft, die misschien een gemeenschappelijke, maar ons onbekende wortel hebben, namelijk zintuiglijkheid en verstand. Zintuiglijkheid geeft objecten, verstand denkt ze. Voor zover nu de zintuiglijkheid a priori voorstellingen mocht bevatten, die de voorwaarde vormen waaronder ons objecten worden gegeven, behoort ze tot de transcendentale filosofie. De transcendentale leer van de zintuiglijkheid moet tot het eerste deel van de basisleer behoren omdat de voorwaarden waaronder objecten van de menselijke kennis worden gegeven, vooraf gaan aan de voorwaarden waaronder ze worden gedacht.”.

Van speciaal belang voor mij, is

alles wat Kant betoogt rond onze waarneming van ‘objecten’.
“Alle kennis begint met ervaring! Objecten beroeren onze zintuigen en brengen zo voorstellingen teweeg die door ons verstand verwerkt worden. “In de tijd gaat er dus in ons geen kennis vooraf aan de ervaring en met ervaring begint alle kennis.” (P 94)
De moeilijkheid bij Kant zit ‘m in zijn beweringen die af en toe vreemd en ‘abstract’ zijn, zoals deze: “Ontdoe het begrip lichaam van alles wat er empirisch aan is, “dan blijft toch de ruimte over die het lichaam (dat nu geheel verdwenen is) innam, en die kun je niet weglaten.”

 

Volgende aflevering: PROLEGOMENA