Uitwendige beschouwing – Beeldhouwkunst

Toen iemand mij ooit vroeg, wat ik zo belangrijk vond aan beeldhouwwerk, hij bedoelde die ouderwetse sculpturen die wij vroeger ‘standbeelden’ noemden, antwoordde ik nogal spontaan: “beeldhouwkunst bevestigt door zijn aanwezigheid mijn bestaan.”
“Dat doet de tram ook!” antwoordde hij direct en gevat.

Sinds die tijd loop ik rond met deze vraag. Ik ben geen filosoof en vind het moeilijk om het verschil tussen een standbeeld en een tram te duiden als het gaat om de bevestiging van mijn bestaan. Maar het is voor mij zonneklaar dat een tram iets anders is dan een standbeeld en mijn bestaan op een andere manier bevestigt, hoewel ik nog niet precies weet hoe.

Immanuel Kant verzoekt zijn uitgever in de B-druk een passage uit de A-druk te veranderen. Dit ligt hij toe in een noot in het voorwoord, lang voordat die passage zich voordoet. Ik haal die noot hier aan, omdat hij een van de belangrijkste kwesties voor mij aanroert, namelijk de vraag: Leren wij de dingen buiten ons (bijvoorbeeld sculptuur), kennen door waarneming? of anders gezegd: Bezitten wij een onschuldig (niet-wetend) oog?
Omdat die kwestie door de hele Vernunft heen speelt, citeer ik de noot hieronder uitgebreid: (de lange noot bij B XL pag 88 – 90)


“… Het blijft een schandaal voor de filosofie en de menselijke rede in het algemeen, om het bestaan van de dingen buiten ons (die ons al het materiaal voor kennis aan de hand doen, zelfs voor onze innerlijke zintuiglijkheid) louter op grond van geloof te moeten aannemen, en niet in staat te zijn een bevredigend bewijs voor dat bestaan te leveren als iemand op het idee komt het in twijfel te trekken.”
Ik verzoek de passage B432 op pagina 403 als volgt te veranderen:
“Dit bestendige kan echter geen aanschouwing in mij zijn. Want alle bepalingsgronden van mijn bestaan, die in mij aangetroffen kunnen worden, zijn voorstellingen, en behoeven als zodanig zelf een van hen verschillend bestendig iets, ten opzichten waarvan de wisseling in die voorstellingen bepaald kan worden, en aldus mijn bestaan in de tijd, waarin die wisseling zich voordoet.
Men zal vermoedelijk tegen dit bewijs inbrengen dat ik me alleen onmiddellijk bewust ben van wat in me is, dat wil zeggen van mijn voorstelling van dingen buiten mij, en dat het dus nog maar de vraag is of er al dan niet iets buiten mij is dat daarmee correspondeert. Ik ben echter van mijn bestaan in de tijd bewust door innerlijke ervaring (en dus ook van de bepaalbaarheid van dat bestaan in de tijd) en dat is meer dan alleen het bewustzijn van mijn voorstelling. Het is hetzelfde als het empirische bewustzijn van mijn bestaan, dat alleen bepaald kan worden door een betrekking op iets wat met mijn bestaan verbonden is en zich buiten mij bevindt. Dit bewustzijn van mijn bestaan in de tijd hangt dus samen met het bewustzijn van een betrekking tot iets buiten mij en is daaraan identiek; het is dus ervaring en geen fantasie, zintuiglijke waarneming en geen verbeelding, die de uiterlijke onverbrekelijk met mijn innerlijke zintuiglijkheid verbinden. Want de uiterlijke zintuiglijkheid is op zich al betrekking van de aanschouwing op iets werkelijks buiten mij, en de realiteit ervan – in tegenstelling tot de verbeelding – berust er alleen op dat die uiterlijke zintuiglijkheid onverbrekelijk verbonden is met de innerlijke ervaring, als de mogelijkheidsvoorwaarde ervan, en dat is hier het geval.
Als ik met het intellectuele bewustzijn van mijn bestaan, in de voorstelling ik ben, die al mijn oordelen en verstandshandelingen begeleidt, tegelijk een bepaling van mijn bestaan door intellectuele aanschouwing zou kunnen verbinden, dan was voor die bepaling het bewustzijn van een relatie tot iets buiten mij niet nodig. Ofschoon dat intellectuele bewustzijn aan alles voorafgaat, is de innerlijke aanschouwing, het enige waarin mijn bestaan bepaald kan worden, zintuigelijk en gebonden aan de voorwaarde van de tijd.
Die bepaling evenwel, en dus de innerlijke ervaring zelf, is afhankelijk van iets bestendigs dat zich niet in mij bevindt, en dat zich dus alleen in iets buiten mij kan bevinden, waarbij ik ervan moet uitgaan daarmee in relatie te staan en zo is de realiteit van de uiterlijke zintuiglijkheid noodzakelijk met die van de innerlijke zintuiglijkheid verbonden, wil ervaring in het algemeen mogelijk zijn. Met andere woorden: ik ben me er net zo zeker van bewust dat er dingen buiten me zijn, die zich op mijn zintuiglijkheid betrekken, als dat ik me ervan bewust ben, dat ik zelf als in de tijd bepaald, besta.
Met welke gegeven aanschouwingen nu inderdaad objecten buiten mij corresponderen, die dus tot de uiterlijke zintuiglijkheid behoren – want daaraan moeten ze toegeschreven worden, en niet aan de verbeelding – moet in elk bijzonder geval worden beslist volgens de regels die ervaring in het algemeen (ook innerlijke) van verbeelding onderscheiden, en daarbij moet de stelling dat er werkelijk uiterlijke ervaring is, steeds als basis dienen.
Men kan hier nog de volgende opmerking aan toevoegen: de voorstelling van iets bestendigs in het bestaan is niet hetzelfde als een bestendige voorstelling. De voorstelling van iets bestendigs kan immers, gelijk al onze voorstellingen, zelfs die van de materie, zeer veranderlijk en wisselend zijn, maar betrekt zich toch op iets bestendigs, dat dus een van al mijn voorstellingen verschillend en zich buiten mij bevindend ding moet zijn, waarvan het bestaan noodzakelijk mede wordt verondersteld bij de bepaling van mijn eigen bestaan, en met die bepaling één enkele ervaring uitmaakt, die innerlijk helemaal niet zou plaatsvinden, als ze niet ook (ten dele) tegelijk uiterlijk zou zijn. Het hoe van dit alles kan hier net zomin nader verklaard worden als hoe we in het algemeen het blijvende in de tijd denken, dat tegelijkertijd met het veranderlijke bestaat en aldus het begrip verandering voortbrengt.”

 

De crux voor mij is dus dat er iets bestendigs buiten mij is – het beeldhouwwerk- dat mij bevestigt ondanks mijn steeds wisselende waarnemingen en ervaringen. Dus ook al zie ik het beeld telkens anders, en ook al kan ik het niet kennen, het bevestigt mij toch. Er is dus iets van bestendigheid buiten mij tegenover het onbestendige in mij. Op de tram komen we later vast en zeker terug.

 

Volgende aflevering: Kant 8: Inleiding