1787 Voorwoord tot de B-druk

Na behoorlijk wat kritiek op zijn eerste Kritik werkt Kant zijn teksten bij en komt met de tweede druk, de zo genoemde B-druk.

Wetenschap

Om te beginnen maakt hij duidelijk dat het hem gaat om ‘de zekere weg van de wetenschap’: Kennis door Rede is nog steeds geen wetenschap. Daarvoor zou bijvoorbeeld de Metafysica een voorbeeld kunnen nemen aan de logica: die is sinds Socrates onveranderd en volledig. “Wij breiden de wetenschappen niet uit, maar verminken ze als we hun grenzen in elkaar laten overlopen” (Kant1, p71). Hij benadrukt het succes van de logica als een stelsel van formele regels waarvan de regels heel precies bepaald zijn, een stelsel dat het denken uiteenzet en bewijst.

Metafysica

Volgens Immanuel Kant kan de mens niet zonder Metafysica. Ik herinner nog even aan zijn voorwoord in de A-druk, waarin hij uitlegt wat volgens hem Metafysica is:

“De menselijke rede treft in een bepaald type van haar kennis het bijzondere lot dat ze door vragen wordt geplaagd die ze niet kan afwijzen, omdat ze haar door de aard van de rede zelf worden opgegeven; die ze echter ook niet kan beantwoorden, daar ze het vermogen van de menselijke rede volledig overstijgen.”

(Kant1, p.59, A VII 8-12)


Hij onderkent dat deze vragen ook leven onder ‘het publiek’ dat volgens hem het filosofische strijdtoneel van de metafysica zelf nooit zal betreden, Ook al kan het deze vragen en antwoorden niet ontwijken. Het publiek ziet het volgende en heeft daarom behoefte aan een metafysica:
1. De natuur bewijst dat tijdelijkheid nooit bevredigt en leidt daarom tot de hoop op een leven na de dood
2. Plichten in tegenstelling met neigingen leiden tot het bewustzijn van de vrijheid
3. De orde en schoonheid van de natuur leidt tot het geloof in een wijze en grote Schepper van het heelal
De metafysica moet daarvoor de algemeen geldende bewijsgronden leveren.

Kant wil vooral de metafysica wetenschappelijk maken: haar geldigheid opnieuw formuleren en bewijzen. “Metafysica is volledig op zichzelf staande speculatieve rede-kennis, die zich volkomen boven kennis uit ervaring verheft en zich alleen op begrippen baseert (zonder die op de aanschouwing toe te passen, zoals de wiskunde), zodat daar de rede zijn eigen leerling moet zijn.”

Copernicus

De vraag is of metafysica zich als wetenschap laat inrichten:

“We zouden daarom eens kunnen proberen of we inzake de opgave van de metafysica niet verder zouden komen met de aanname dat objecten zich naar onze kennis moeten richten, wat al beter overeenstemt met de gewenste mogelijkheid van a priori-kennis die iets vastlegt over de objecten voordat ze ons gegeven zijn. Het is hiermee net zo gesteld als met de eerste gedachte van Copernicus, die, toen bleek dat het niet goed wilde vlotten met de verklaring van de beweging der hemellichamen zolang hij aannam dat de hele sterrenhemel rond de toeschouwer draaide, proberen of het niet beter zo gaan als hij de toeschouwer liet ronddraaien en de sterren in rust liet.”

(Kant1, p.76, B XVI 9-19)

Dit gaat over het noodzakelijke verschil tussen kennis door ervaring en kennis vanuit het denken dat hij demonstreert aan eigenschappen van de ziel, de vrije wil, et cetera. “Ik moet dus het weten opheffen, om plaats te verkrijgen voor het geloof”. Daarna verdedigt hij de toewijzing en het onderscheid van de verschillende denkwijzen om metafysica als wetenschap en wetenschap überhaupt mogelijk te maken.

A Priori

Voor zover er in de wetenschappen sprake is van rede, moet er iets a priori in gekend worden: wiskunde en natuurkunde zijn voorbeelden voor de wetenschap, die hun objecten a priori moeten bepalen.

A priori wil zeggen dat de objecten die zij beschrijven en bestuderen niet voortkomen uit ervaring of waarneming van bestaande dingen, maar puur en alleen uit het denken zelf. Daarvoor moeten wetten opgesteld worden en principes die voor het object onder alle omstandigheden gelden. A priori kennis is dus absoluut noodzakelijk. A priori kennis staat tegenover de kennis die voortkomt uit ervaring:

“Ervaring is namelijk zelf een wijze van kennen die verstand vereist, waarvan ik de regels, nog voor me objecten gegeven worden, dus a priori, in me moet vooronderstellen, die uitgedrukt worden in a priori-begrippen, waar zich dus noodzakelijk alle objecten van de ervaring naar moeten richten en waarmee ze noodzakelijk moeten overeenstemmen.”

De rede brengt zelf a priori-kennis in om geldig onderzoek te doen:

“De rede moet met in de ene hand haar principes, volgens welke met elkaar overeenkomende verschijnselen als wetten kunnen gelden, en met in de andere hand het experiment dat ze volgens die principes heeft uitgedacht, de natuur benaderen om zich door haar te laten onderrichten; niet echter in de hoedanigheid van een leerling die zich alles door de leraar laat voor zeggen, maar in die van een rechter in functie die de getuigen dwingt antwoord te geven op de vragen die hij hun stelt.”

(Kant1, p.74, B XIII17-24)

Copernicus heeft aangetoond dat er een scheiding plaatsvindt in het denken: kennis die voortkomt uit ervaring en kennis die voortkomt uit het denken. Een van de voorbeelden die Kant daarvoor gebruikt is het begrip ‘ziel’. We kunnen de ziel niet zien of waarnemen, er is geen verschijning van de ziel, maar we kunnen de ziel wel denken. Het is dus buitengewoon belangrijk om het verschil te onderkennen tussen de verschijning van het ding (dat wat we waarnemen), en het ding op zichzelf.

Het ding op zichzelf kunnen wij volgens Kant nooit werkelijk kennen. Wel kunnen wij er a priori kennis over denken. Die a priori kennis voedt in feite onze waarneming: “dat we alleen datgene a priori van de dingen kunnen kennen, wat we er zelf in leggen”. (Kant1, p.77, B XVIII 6-7)

Strik webIk hoop dat Kant meer duidelijkheid over dit onderscheid gaat aanbrengen in het vervolg, want nu lees ik het als een essentiële aanname: Het is dus niet: ik zie, maar: mijn a priori-kennis laat mij zien. Ofwel: ik zie feitelijk alleen wat ik er zelf inleg, met behulp van bestaande wetten én experiment. Ik kijk dus door mijn eigen bril.

Kennis hindert

Deze aanname staat enigszins in contrast tot mijn kunsthistorische wens naar een ‘onbevangen blik’. Clive Belle en Roger Fry werkten die uit in de Bell-Fry theorie over de wijze waarop kunst het onzegbare uitdrukt. ‘Het onschuldige oog’ dat volgens velen niet bestaat maar voor mij nog altijd niet overtuigend is afgewezen, vindt bij Immanuel Kant dus een sterk filosofisch argument. Terwijl ik altijd heb volgehouden dat kennis hindert bij het kijken naar sculptuur, wordt die idee nu sterk genuanceerd: het is niet zo dat mijn kennis mijn waarneming hindert, maar mijn waarneming bepaalt. Ik moet me dus à la Copernicus afvragen of datgene wat ik zie, wel werkelijk is wat ik denk te zien, en of ik het niet beter om kan draaien: dat hetgeen ik zie mijn kennis zou moeten ondervragen.
Zie hiervoor ook: Shattuck, R (1984) The innocent eye: on modern literature & the arts. New York, Farrar Straus Giroux.

 

Samenvatting voorwoorden

De belangrijkste onderwerpen in de voorwoorden zijn dus:

  • De metafysica is noodzakelijk, maar is dwalende en behoeft wetenschappelijke onderbouwing
  • Hoe is metafysica als wetenschap mogelijk?
  • Zij behoeft een Copernicaanse revolutie
  • Kritiek van de zuiver rede is daarbij gerechtshof van de wetenschap
  • Kennis wordt onderscheiden in a-priori en a-posteriori

Volgende aflevering: Kant 7: De Tram