Aanwezigheid

Wanneer je, zoals ik hier doe, een basis-begrip formuleert voor een domein, dan bepaal je in feite een grens. Je perkt het gebied af waarover je spreekt en stelt dat alles dat niet voldoet aan het basisbegrip, niet behoort tot het gebied wat je bespreekt. Mijn basisbegrip voor het beschouwen van beeldende kunst is aanwezigheid.
‘Aanwezigheid’ is een erg breed begrip dat niet één, maar een aantal voorwaarden in zich verenigt: zo is er de aanwezigheid van het kunstvoorwerp, maar ook de aanwezigheid van de toeschouwer, de aanwezigheid van de ruimte, de niet-zichtbare aanwezigheid van de tijd, maar ook de niet-zichtbare aanwezigheid van een idee en haar mogelijke associaties. Er is zelfs de niet zichtbare aanwezigheid van de (kunst)geschiedenis.

In de discipline kunstgeschiedenis is al aardig wat geschreven over het begrip ‘aanwezigheid’.  Ik hoef dus niet zomaar wat te verzinnen maar kan me baseren op onderzoek en denkwerk dat al door anderen is verricht: een pittig boekje is van Hans Ulricht Gumbrecht (2012), Präsenz.1   In werkelijkheid is het een filosofisch boek over taal en literatuurwetenschap en het duurt tot bladzijde 245 voordat er sprake is van ‘Objekten’, te vertalen door ‘lichamen’ of ‘dingen’. Maar dan gaat het ook hard: de toeschouwer wordt zich bewust van zichzelf: ‘hij ziet zichzelf’ en in de negentiende eeuw wordt de duidelijk dat ervaring niet alleen subjectief is, maar gedeeld wordt door velen.

De behoefte aan het afpalen van het gebied komt voort uit de wens naar duidelijkheid: wat is nu eigenlijk beeldende kunst, en wat niet? Als je antwoord zou willen geven op die vraag moet je dus het domein begrenzen. Dat is eenvoudiger gezegd dan gedaan, want in het bijzonder binnen de kunsten is het intussen gemeengoed om aan alle grenzen te tornen, ‘cross-overs’ te formuleren en zelfs ‘performances’ in musea van beeldende kunst uit te voeren, alsof het niet om theater gaat. Je voelt het al, ik zou het liefst, voor alle duidelijkheid, theater en beeldende kunst uit elkaar houden.

Daarom heb ik hulp nodig om na te denken over de wenselijkheid van het begrenzen of ontgrenzen van domeinen, en de eerste bij wie je dan te rade gaat is de beroemde Franse filosoof Jacques Rancière.

In een interview2  werd hem de volgende vraag gesteld:

"Is het juist om te zeggen dat uw werk niet zozeer interdisciplinair als wel adisciplinair is?"

Daarop antwoordde hij:

"Mijn opgave is altijd geweest om te ontsnappen aan de verdeling in disciplines. Wat mij namelijk interesseert is het vraagstuk van de indeling in territoria, die altijd een manier is om te beslissen wie over wat mag spreken. De deling tussen disciplines verwijst naar de meer fundamentele deling die onderscheid wie wel en wie niet bevoegd is om te denken, wie wetenschap mag bedrijven en wie als haar objecten worden beschouwd.(…) Wat is het dat bepaalt of een vraagstuk als filosofisch, politiek, sociaal of esthetisch wordt aangemerkt? Als de emancipatie een bedoelingen had, zou dat juist moeten zijn om het denken voor allen op te eisen, wat zou betekenen dat er geen natuurlijke verdeling van de objecten van het denken bestaat en dat een discipline altijd een provisorische hergroepering is om aan een provisorische inlijving van objecten en vragen die geen eigen plaats of domein hebben.

 
Deze stellingname is sympathiek voor iedereen die de ontwikkelingen na 1968 heeft meegemaakt, maar heeft ook een twijfelachtige allure. Om het citaat goed te begrijpen moet je weten dat Rancière een boek heeft geschreven met de titel ‘De onwetende meester’: Le maître ignorant (1987)3.  In dat boek onderzoekt hij de geschiedenis van een docent die een nieuwe pedagogische methode ontwikkelde, die was gebaseerd op het idee dat ieder mens beschikt over een gelijk verstand en het vermogen om zichzelf te vormen. Nadat deze docent (Jacotot) toevallig had ontdekt dat zijn Vlaamse leerlingen die geen Frans spraken, er in slaagden zich deze taal eigen te maken met behulp van een tweetalige tekst, besefte hij ‘dat een leraar iets kan onderwijzen wat hij niet weet’. Voorwaarde is wel dat de student geëmancipeerd is, dat hij aangemoedigd wordt zijn eigen intelligentie te gebruiken en gelooft in zijn eigen verstandelijke vermogens4".

De crux van het geheel zit in de laatste tien woorden van het citaat: ‘objecten en vragen die geen eigen plaats of domein hebben’. Hiermee keren we weer terug binnen de basisdiscussie: er zijn dus wel degelijk objecten en vragen die een eigen domein hebben. En we moeten dus een antwoord vinden op Rancières vraag: ‘Wat is het dat bepaalt of een vraagstuk als filosofisch, politiek, sociaal of esthetisch wordt aangemerkt?’ Voor mijn vakgebied denk ik minstens één criterium te kunnen formuleren: om te behoren tot het domein van de beeldende kunst moet een voorwerp in ieder geval blijvende aanwezigheid bezitten. Voor veel kunsten geldt dat niet en daarom spreek ik nadrukkelijk over beeldende kunst: je zou het als één woord moeten kunnen schrijven.

Blijvende aanwezigheid geldt bijvoorbeeld niet als voorwaarde voor het domein ‘muziek’. Muziek is zeker een kunst, maar het muziekstuk zelf is van voorbijgaande aard. Na het eind moet het opnieuw beginnen of het wordt opgeslagen voor later hergebruik in het domein. Hetzelfde geldt voor films, boeken, dansopvoeringen, poppenspelen en performances. Voorwerpen van beeldende kunst hoeven nooit opnieuw te beginnen: ze zijn er altijd, blijvend. Altijd aanwezig. Waar dan ook en hoe dan ook. Dat maakt ons samenzijn met beeldende kunst totaal anders dan met alle andere kunsten: we hoeven niet tot het eind te wachten. We hoeven niet opnieuw te beginnen. We hoeven het niet opnieuw op te voeren of af te draaien. Het is er nú, precies zoals vroeger, toen het gemaakt werd5.  Aanwezig.


Jhieronymus Bosch Tuin der Lusten LinkerpaneelEen ander begrip waar ik het binnenkort écht over moet hebben is ‘betekenis’


1Hans Ulricht Gumbrecht (2012), Präsenz. Berlin, Suhrkamp wissenschaft.

2Zie: Solange de Boer (2007) Grensganger tussen disciplines over Jacques Rancière. Amsterdam, Valiz, p. 88-89

3 Ibid., p. 15

4Jacques Rancière, Le maitre ignorant. Cinq leçons sur l’émancipation intellectuelle. Parijs: Fayard, 1987, p 30

5Dit fenomeen van voortdurende aanwezigheid wordt met verwondering beschreven door Cees Nooteboom in zijn boekje over Jheronimus Bosch.
Cees Nooteboom (2016), Een duister voorgevoel, Amsterdam, De Bezige Bij, p24: “Wanneer ontdoen schilderijen zich / van de schilder, wanneer wordt dezelfde materie/ een andere gedachte?”

Plaats reactie


Beveiligingscode
Vernieuwen