H-Balken in Hoorn

(Julianapark 2002)

André Volten

 '...strak als een balk

de horizon en het bos

breken door stapelen

inkorten en verlengen

een uitgedijd boegbeeld

van een voortdurend

varend stilstaand schip...'

 

(Bert Schierbeek Strofe uit gedicht

Voor André Volten 1966)

Niet-figuratief beeldhouwwerk bestaat nog niet zo lang. Laten we zeggen, ongeveer honderd jaar. In die honderd jaar zijn er periodes geweest, waarin ze stormenderhand de kunstwereld veroverde. Felle oppositie was onmiddelijk haar deel. En in al die tweespalt was de kernvraag: is niet-figuratieve kunst wel kunst? Alle mogelijke argumenten om aan te tonen dat niet-figuratie voortkomt uit 'onkunde' van de kunstenaar werden aangevoerd. Tegelijkertijd werden de welwillende of zelfs enthousiaste kunstliefhebbers en critici op de hak genomen. “Dat kan mijn kleine zusje ook!” werd een veelgehoorde uitroep. Hiermee werd niet alleen de kunstuiting, maar ook het oordeel van de liefhebbers onder vuur genomen. Wat het kunstwerk voorstelde en wat ‘mijn kleine zusje’ dan kon, werd meestal niet nader toegelicht.  
Het is niet verwonderlijk, want in alle eeuwen hiervoor was ‘mimesis’ (nabootsing) het hoogste goed. De nabootsing was soms letterlijk,  bijvoorbeeld in een portret, en soms overdrachtelijk zoals bijvoorbeeld bij een 'Nikè'. En omdat die figuratie niet zo ver ging als in de schilderkunst leidde beeldhouwkunst dus een tweederangs bestaan naast de schilderkunst.
Voor mij kwam het wegvallen van de figuratie als een bevrijding: ik herkende plotseling de dingen zoals ze echt zijn, zonder dat ze toegedekt worden door een of andere ‘stichtend’ verhaal.